Peter verging van de honger. Het laatste wat hij gegeten had was het koffiebroodje dat hij uit de keuken had meegepikt. Dat was al niet geweldig, voor een middagmaal, maar nu was ook de tijd van het avondeten bijna aangebroken.
Hij had er niet op gerekend dat hij zo lang in de auto zou moeten zitten. Tjonnie zou naar de plek rijden waar hij Moerad verborgen hield, op zijn eigen cateringbedrijfje dus, en dat was vlakbij en zeker geen uur rijden. […]
Dorst had Peter niet. Er stonden kratten met Fernandeslimonade, en die flessen hadden schroefdoppen. De suiker stilde de honger ook wel een beetje.
Hij durfde alleen niet teveel te drinken, want langzamerhand moest hij nodig plassen. Maar ook dat was het ergste niet. Peter maakte zich ongerust over Josie en Yoe Lan, die nu misschien op hem stonden te wachten bij Tjonnie´s catering.
Zijn enige troost was dat Otto erbij was. Josie zat op judo, dat was een prettig idee, maar ze was ook onvoorzichtig en driftig, en ze kon Yoe Lan in allerlei avonturen meeslepen die te gevaarlijk waren voor achtjarige meisjes.
Peter durfde niet te bellen. Ook al stond het mobieltje van Josie op de trilfunctie, dan nog kon ze schrikken als het ding overging, en wie weet in wat voor schuilplaats ze zich op dit moment stil moest houden?
Een sms´je was beter. Dat zou ze pas zien als ze in veiligheid was, ergens waar het rustig was en ze op haar gemak kon nadenken over de boodschap. Maar wat was de boodschap? Hij zette zijn telefoon aan om in elk geval een berichtje naar Josie te sturen. Op dat ogenblik remde Tjonnie. De auto stond stil.
Peter hoorde zijn eigen hart dreunen. Waren ze bij de plek waar Moerad werd vastgehouden?
De zijdeur van het busje ging met een klap open. Tjonnie begon de dozen en kisten uit te laden. Hij zong een liedje, maar het was geen vrolijk wijsje. Het waren ook geen vrolijke woorden. ´Dede´ hoorde Peter telkens, en hij had genoeg Surinaams op het schoolplein geleerd om te weten dat dat ´dood´ betekende.
Peter probeerde onhoorbaar te ademen. Hij hoopte met zijn hele hart dat Tjonnie bij een klant was aangekomen, en dat hij daar een bestelling ging afleveren. Toen voelde hij iets trillen. Hij bedacht met schrik dat hij net zijn telefoon had aangezet en dat nu iemand hem probeerde te bereiken. Maar het was de telefoon niet. Het waren zijn handen en benen die onbedaarlijk waren begonnen te beven. Peter zat gewoonweg te sidderen van angst.
Het was bijna een opluchting toen het grote stuk karton van zijn hoofd werd getrokken en hij recht in het verbaasde, lelijke smoel van Tjonnie keek.
Het zou moeilijk zijn te zeggen wie van de twee het hardste schrok. Tjonnie deed een stap achteruit, struikelde over een doos en tuimelde achterwaarts het busje uit.