Het is moeilijk praten tegen een rug, en vooral tegen een schrobbende rug. Zep had een borstel uit de emmer gepakt en was bezig de tagvan zijn bekladde pui te verwijderen. Het was een vreemd gezicht. Dit was Zep, koning van de Old School-graffiti, die de hele stad had gebombed met zijn piecesen tags, die zijn Zeppiecharacter overal had neergezet, ver boven de grond op torens en bankgebouwen, ver onder de grond in schuilkelders, metrostations en spoortunnels.
 Hier voor me stond de rooftop king, wiens schuilnaam voorbij kwam rijden en varen op trams, treinen, metrostellen en rondvaartboten, ZEP! triomfantelijk neergekalkt als de handtekening van de markies van Carabas, een stempel dat betekende: deze stad, Amsterdam, is van mij, elke dag komt mijn naam hier voorbij. Dit is mijn territorium, mijn leefgebied, mijn jungle!
En nu stond dezelfde man verwoede pogingen te doen de kladletters
van zijn eigen winkel af te halen. De F was al verdwenen, nu alleen
UCK nog.